Nieuws en tips

Vind hier de laatste berichten van onze adviseurs.

Terug naar Nieuwsoverzicht  

01/01/2026 Meerwaardebelasting vanaf 1 januari 2026

Op 18 juli 2025 keurde de ministerraad een voorontwerp van wet goed over de invoering van een nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa. De onderstaande tekst bouwt verder op de informatie uit dat voorontwerp. Voor alle duidelijkheid: er zijn nog geen definitieve wetteksten, dus de uiteindelijke regeling kan hier nog (sterk) van afwijken.

Kort samengevat komt het erop neer dat er naast de bestaande belasting op beroepsmatige meerwaarden en meerwaarden uit abnormaal beheer een nieuwe belasting op normaal beheerde meerwaarden uit financiële vaste activa bijkomt.

Die nieuwe belasting geldt zowel op interne meerwaarden (verkoop aandelen aan een eigen holding), meerwaarden uit aandelen van vennootschappen met een aanmerkelijk belang (>= 20%) als op meerwaarden uit de verkoop van beleggingen in meer courante producten zoals fondsen, aandelen, ETF’s, cryptomunten, … Er zijn slechts een paar uitzonderingen voor o.a. pensioensparen, IPT en VAPZ.

De nieuwe belasting is zowel in de personenbelasting als in de rechtspersonenbelasting van toepassing.

Om de belastbare meerwaarde te berekenen zijn er specifieke rekenregels. Zo mogen minderwaarden enkel verrekend worden binnen het jaar en binnen dezelfde categorie. Historische meerwaarden van vóór de peildatum van 31 december 2025 zijn vrijgesteld, maar historische minderwaarden van vóór diezelfde peildatum zijn niet verrekenbaar.

De inning van de belasting kan gebeuren door een financiële tussenpersoon (meestal een bank) via een opt-inregeling. Eventuele verrekeningen en vrijstellingen kan je dan terugvorderen in de aangifte personenbelasting. De opt-outregeling werkt omgekeerd, waarbij de hele berekening in de aangifte personenbelasting moet komen.

De nieuwe regels gaan naar alle waarschijnlijkheid wel wat veranderingen in het fiscale landschap veroorzaken. Een bewijskrachtige documentatie van de samenstelling en de historiek van het financiële vermogen zal erg belangrijk worden.

Hieronder behandelen we al deze onderwerpen meer in detail.

 

Inhoudsopgave

 

1 - Het grotere geheel

Voor we in de nieuwe regelgeving duiken, is het nuttig om eerst even het grotere plaatje te bekijken. Sommige meerwaarden zijn vandaag immers al belastbaar, en daar verandert op zich niets aan door de geplande aanpassingen. Wel wordt verwacht dat er veel meer rapportering aan de fiscus zal komen. Daardoor zou de fiscus kunnen oordelen dat, op basis van het gedrag van bepaalde beleggers of de aard van bepaalde financiële producten, sommige meerwaarden onder de bestaande belastbare categorieën vallen.

Om je weg te vinden in dit fiscale doolhof, kan je de volgende vragen gebruiken als een soort routeplanner.

Vraag 1: kadert de transactie binnen een beroepsactiviteit?

  • JA: het inkomen wordt belast als een beroepsinkomen aan de progressieve tarieven en er is sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd.
  • NEE: vraag 2: kadert de transactie binnen een abnormaal beheer van privévermogen of speculatie?
    • JA: het inkomen wordt belast als een divers inkomen aan 33% en er is geen sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd.
    • NEE: vraag 3: gaat het om de verkoop van een aandelenbelang van 25% aan een niet-EER rechtspersoon?
      • JA: het inkomen wordt belast als een divers inkomen aan 16,5% en er is geen sociale zekerheidsbijdrage verschuldigd.
      • NEE: gefeliciteerd, je bent aangekomen op het terrein van de nieuwe meerwaardebelasting.

Deze vragen lijken op het eerste gezicht misschien wat triviaal, maar ze raken aan een oude discussie die naar verwachting opnieuw volop zal oplaaien. De wetgever heeft namelijk nooit duidelijk gedefinieerd wat “abnormaal beheer” is en vanaf wanneer er sprake is van een “beroepsactiviteit”.

Algemeen wordt aangenomen dat wie “zo nu en dan” een braaf “goede huisvader-aandeel” koopt, geen beroepsactiviteit uitoefent. De situatie is anders wanneer je dagelijks effecten koopt en verkoopt en alles monitort met gespecialiseerde hard- en software. Maar waar ligt precies de grens? Wat betekenen begrippen als “zo nu en dan” en “goede huisvader-aandeel” concreet? En hoe moet je omgaan met automatische handel, die vandaag vrij eenvoudig kan worden ingesteld via courante (gratis) beleggingsplatforms? Op al die vragen bestaat momenteel geen sluitend antwoord.

De term “abnormaal beheer” is zo mogelijk nog vager en daardoor nog riskanter. Vaak wordt aangenomen dat het kopen van een aandeel om het lange tijd bij te houden en later te verkopen geen abnormaal beheer vormt. Handel in hoogst speculatieve producten, zoals cryptomunten, is een ander verhaal. Maar ook hier rijst de vraag: waar ligt de grens? Hoe moet je bijvoorbeeld omgaan met een student die 15 jaar geleden ’s nachts op zijn pc geluk had bij het minen van cryptomunten (terwijl hij zelf zat op café zat), daarvoor werd vergoed in diezelfde munten en vandaag vaststelt dat die inmiddels een klein fortuin waard zijn? Ook hier ontbreekt voorlopig een sluitend antwoord.

Afhankelijk van de hoofdcategorie waarin de belastbare meerwaarde belandt, kunnen de regels voor de berekening van het belastbaar inkomen ook nog eens veranderen. Daar komen we later nog op terug.

2 - Drie nieuwe categorieën van belastbare meerwaarden

Nadat we hebben vastgesteld dat het geen beroepsinkomen en geen abnormaal beheer is, schotelt de nieuwe regeling ons 3 nieuwe vragen voor, die we opnieuw in de juiste volgorde moeten doorlopen.

Vraag 1: betreft het interne meerwaarden op aandelen?

  • JA: belastbaar aan 33%.
  • NEE: vraag 2: betreft het meerwaarden op aandelen in het kader van een aanmerkelijk belang?
    • JA: gunstregime.
    • NEE: vraag 3: betreft het meerwaarden op financiële activa die niet belastbaar zijn onder 1 van de 2 andere categorieën?
      • JA: algemene meerwaardebelasting aan 10%.
      • NEE: gefeliciteerd, je hebt een belastingvrijstelling gevonden.

Hieronder gaan we dieper in op elk van die categorieën.

 

2.1 - Categorie 1: interne meerwaarde op aandelen

“Dit zijn meerwaarden op aandelen en winstbewijzen gerealiseerd door een overdrager die alleen of samen met naaste familieleden (echtgenoot, afstammelingen, ascendenten en zijverwanten tot en met de 2e graad en die van zijn echtgenoot) rechtstreeks of onrechtstreeks controle uitoefent op de overnemer. De controle over de overnemer moet al aanwezig zijn op het moment van de verkoop, behoudens gevallen van misbruik.”

De eerste categorie is vooral bedoeld om bepaalde misbruiken tegen te gaan. Het voorontwerp viseert hier voornamelijk de transacties waarbij de aandelen van de (werk)vennootschap worden verkocht aan een holding die al onder controle staat van de verkoper.

In dat geval worden koper en verkoper automatisch als één partij beschouwd, omdat zulke transacties kunnen leiden tot misbruiken met een louter fiscaal doel, zonder economische verantwoording. De interne meerwaarden die worden gerealiseerd bij de verkoop van aandelen worden integraal belast aan een tarief van 33%, zonder vrijstelling.

Let wel: een inbreng van diezelfde aandelen in diezelfde holding wordt niet geviseerd door deze bepaling. Een inbreng blijft dus vrijgesteld, maar sinds 2017 is het via die werkwijze niet langer mogelijk om historische reserves belastingvrij te laten opstromen, waardoor de fiscale voordelen eerder beperkt zijn.

 

2.2 - Categorie 2: aanmerkelijk belang

“Bedoeld wordt de situatie waarin de overdrager op het moment van de overdracht minstens 20% bezit van de rechten in het kapitaal van de vennootschap waarvan de aandelen worden overgedragen.”

Deze categorie is dus van toepassing op de verkoop van aandelen (winstbewijzen vallen hier niet onder) wanneer de overdrager op het moment van de overdracht – en dus niet als de deelneming intussen onder de 20% is verwaterd – zelf minstens 20% van de rechten in het kapitaal bezit. Daarbij is geen optelsom mogelijk: het bezit van verschillende familieleden kan niet worden samengenomen om aan die drempel te komen.

Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, geldt het volgende gunstregime:

Bedrag meerwaarde

Tarief belasting

<= 1.000.000 EUR

0,00%

Tussen 1.000.000,01 EUR en 2.500.000 EUR

1,25%

Tussen 2.500.000,01 EUR en 5.000.000 EUR

2,50%

Tussen 5.000.000,01 EUR en 10.000.000 EUR

5,00%

>= 10.000.000,01 EUR

10,00%

De grensbedragen worden niet geïndexeerd en de vrijstelling voor meerwaarden tot 1.000.000 EUR  mag slechts één keer per periode van 5 jaar worden toegepast.

 

2.3 - Categorie 3: algemene meerwaardebelasting van 10%

Dit zijn de “meerwaarden op financiële activa van alle andere overdrachten die niet vallen onder de specifieke categorieën voor interne meerwaarden of een aanmerkelijk belang.”

Het begrip financiële activa is erg ruim opgevat en bestaat uit 4 groepen, ongeacht of ze in België of in het buitenland worden aangehouden:

  1. Financiële instrumenten
    • effecten (aandelen, aandelencertificaten, obligaties, ...);
    • geldmarktinstrumenten (depositocertificaten, commercial paper, ...);
    • rechten in beleggingsfondsen (zoals ETF’s);
    • structured notes (schuldinstrumenten die een onderliggende waarde of activa repliceren);
    • derivaten (opties, futures, swaps, termijncontracten, ...);
    • credit default swaps;
    • contracts for differences;
    • emissierechten.
  2. Spaar- en beleggingsverzekeringscontracten die onder tak 21, 22, 23, 26 of 44 vallen, eveneens de vergelijkbare buitenlandse levensverzekeringen (bv. de Luxemburgse branche 6)
  3. Cryptoactiva (inclusief NFT’s)
  4. Valuta
    • bankbiljetten;
    • muntstukken;
    • giraal geld;
    • beleggingsgoud;
    • digitale centrale bankmunten.

Er is een vrijstelling voorzien voor de eerste 10.000 EUR (aanslagjaar 2027; dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd). Om het systeem nog wat ingewikkelder te maken, is er ook een beperkte overdracht mogelijk. Concreet: voor zover de eerste 1.000 EUR van deze vrijstelling niet wordt benut, kan het ongebruikte deel worden overgedragen naar het volgende jaar. Die overdracht is wel begrensd tot maximaal 5.000 EUR. Een toekomstige meerwaarde wordt telkens eerst aangerekend op het oudst overgedragen gedeelte van de voetvrijstelling.

2.4 - Buiten categorie: niet onderworpen aan de meerwaardebelasting

Omdat er een expliciete uitsluiting is voor pensioensparen in de 2e en 3e pijler zijn er enkele specifieke beleggingsproducten die de dans ontspringen:

  • pensioenfondsen;
  • groepsverzekeringen;
  • pensioenspaarfondsen;
  • levensverzekeringen langetermijnsparen;
  • VAPZ;
  • IPT.

Daarnaast is er ook een tijdelijke vrijstelling voor meerwaarden in beleggingsfondsen bij reorganisaties zoals een fusie, splitsing of omvorming. De nieuwe rechten krijgen dezelfde aanschaffingswaarde en -datum als de ingeruilde rechten. De vrijstelling blijft gelden zolang de nieuwe aandelen worden aangehouden.

Ook een inbreng van aandelen (dus geen effecten, obligaties, …) in een vennootschap – en dus niet in een maatschap – blijft vrijgesteld omdat de inbrengmeerwaarde niet leidt tot de vorming van fiscaal gestort kapitaal.

Tot slot zijn bepaalde specifieke meerwaarden vrijgesteld omdat ze elders al worden belast als roerend inkomen of als beroepsinkomen. Het gaat dan bijv. om carried interest aandelen, meerwaarden op bepaalde beleggingsfondsen die o.a. in obligaties beleggen en (gedeeltelijk) belastbaar zijn als interest, en de inkoop van eigen aandelen indien belast als dividend.

3 - Overdrachten die onder het toepassingsgebied vallen

De nieuwe meerwaardebelasting is van toepassing bij de overdracht onder bezwarende titel van financiële activa die onder één van de drie categorieën vallen. Er moet dus een tegenprestatie zijn, wat het geval is bij een verkoop omdat er dan een koopsom wordt betaald.

Sommige gebeurtenissen worden echter gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel:

  • de uitkering bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen;
  • fiscale emigratie (het overbrengen van de woonplaats of zetel van fortuin) van de belastingplichtige naar het buitenland. In dat geval is de latente meerwaarde op het ogenblik van emigratie in principe belastbaar (exit tax). Er is echter een automatisch uitstel bij verhuis binnen de EER of verdragsland en uitstel op verzoek voor de andere landen.

De volgende gebeurtenissen worden niet gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel:

  • schenking;
  • overdracht bij overlijden;
  • uitonverdeeldheidtreding;
  • inbreng bij een huwelijk.

Maar let wel, uitstel vormt geen afstel want een eventuele latere belastbare meerwaarde wordt dan wel berekend op basis van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de schenker/overlater. De hete aardappel schuift dus door naar de begiftigde/ontvanger.

4 - Wie is onderworpen aan de meerwaardebelasting?

4.1     Personenbelasting

De nieuwe meerwaardebelasting is van toepassing op alle natuurlijke personen die onder de personenbelasting vallen, maar ook op fiscaal transparante maatschappen.

De belasting is verschuldigd door de eigenaar van de overgedragen financiële activa. Bij gesplitste eigendom worden meerwaarden geacht een inkomen te zijn van de naakte eigenaar, en dus niet van de vruchtgebruiker.

Bij verzekeringsovereenkomsten is de rechthebbende de belastingplichtige.

4.2     Rechtspersonenbelasting

De nieuwe meerwaardebelasting is ook van toepassing op rechtspersonen die geen onderneming exploiteren en zich niet bezighouden met winstgevende activiteiten (zoals de meeste vzw’s), evenals op feitelijke verenigingen die hebben geopteerd voor de toepassing van de rechtspersonenbelasting gedurende minstens 6 opeenvolgende boekjaren.

Er is wel een specifieke uitzondering voorzien voor entiteiten die giften mogen ontvangen die in aanmerking komen voor een belastingvermindering. Deze verenigingen zijn niet onderworpen aan de meerwaardebelasting.

Zijn ook vrijgesteld: de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, bepaalde intercommunales en OCMW’s, …

Voor een private stichting-administratiekantoor is de impact beperkt. Meerwaarden op gecertificeerde financiële activa worden immers transparant belast in hoofde van de certificaathouders.

De meeste vzw’s en stichtingen die financiële activa aanhouden, worden dus voortaan geconfronteerd met een combinatie van de meerwaardebelasting, de jaarlijkse patrimoniumtaks van (getrapt) 0,45% en de verhoogde beurstaks van 0,35%.

4.3     Vennootschapsbelasting

De meeste commerciële vennootschappen vallen onder de vennootschapsbelasting en ondervinden geen directe impact van de nieuwe meerwaardebelasting.

4.4     Belasting Niet-Inwoners (BNI)

De nieuwe meerwaardebelasting is hier niet van toepassing.

5 - Hoe bereken je de belastbare meerwaarde?

Bij financiële activa, andere dan levensverzekeringen, is de belastbare meerwaarde gelijk aan het positieve verschil tussen (1) de prijs verkregen voor de overgedragen activa (in welke vorm ook) en (2) de aanschaffingswaarde.

Bij levensverzekeringen is de belastbare meerwaarde gelijk aan het positieve verschil tussen (1) de kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringen en (2) het totaal van de gestorte premies.

Hoewel er hierover waarschijnlijk nog veel praktische problemen gaan ontstaan, zijn er enkele belangrijke uitgangspunten om in het achterhoofd te houden.

De aanschaffingswaarde is in principe de prijs waartegen de belastingplichtige, of zijn rechtsvoorganger, de financiële activa onder bezwarende titel heeft verkregen. Dat roept meteen vragen op bij gratis verkregen financiële activa, zoals via schenking of erfenis. In die gevallen is het cruciaal te kunnen aantonen tegen welke prijs de schenker of erflater de activa heeft verkregen.

Kan die aanschaffingswaarde niet worden bewezen aan de hand van voldoende bewijskrachtige gegevens, dan wordt ze geacht nul te zijn. De belastbare meerwaarde is dan gelijk aan de volledige ontvangen prijs. Een goed gedocumenteerde vermogensgeschiedenis kan dus letterlijk goud waard zijn.

Opvallend is ook dat er geen kostenaftrek is voorzien. Kosten zoals de taks op de beursverrichtingen, waarderingskosten, enzovoort, kunnen dus niet in mindering worden gebracht. Bij een belasting als beroepsinkomen of bij abnormaal beheer is dat in principe wel mogelijk.

Voor financiële activa in vreemde valuta geldt de wisselkoers op het moment van aanschaf of op het moment van realisatie.

Voor activa verworven na 1 januari 2026 geldt het FIFO-principe (First In, First Out). Wanneer een belastingplichtige op verschillende tijdstippen identieke financiële activa heeft verworven en daarvan slechts een deel overdraagt, wordt het eerst verkregen actief (First In) geacht ook het eerst te zijn overgedragen (First Out).

Voor de activa verworven vóór 1 januari 2026 geldt in principe de gemiddelde aanschaffingswaarde per financieel actief, maar zoals we later nog zullen zien bestaan er uitzonderingen o.a. in het geval van minderwaarde.

Ook niet onbelangrijk: bij gereglementeerde aandelenopties wordt de aanschaffingswaarde van de aandelen die bij uitoefening worden verkregen, geacht gelijk te zijn aan de werkelijke waarde van de aandelen op het moment van de uitoefening – en dus niet aan de uitoefenprijs.

6 - Wat te doen met minderwaarden?

Minderwaarden zijn het negatieve verschil tussen (1) de ontvangen prijs en (2) de aanschaffingswaarde van de financiële activa. Deze verliezen mogen afgetrokken worden van belastbare meerwaarden, maar enkel in hetzelfde jaar én in dezelfde categorie.

Even ter herinnering: er zijn 3 categorieën: (1) de interne meerwaarden, (2) de financiële activa met een aanmerkelijk belang en (3) de financiële activa die onder de algemene meerwaardebelasting vallen. Zolang je binnen die 3 categorieën blijft, speelt het geen rol op welke soort financiële activa de minderwaarde wordt gerealiseerd.

Zo kunnen minderwaarden op cryptovaluta bijv. perfect worden verrekend met meerwaarden op beleggingsgoud. Diezelfde minderwaarden op cryptovaluta kunnen daarentegen niet worden verrekend met meerwaarden uit de verkoop van aandelen waarin een aanmerkelijk belang wordt aangehouden (meer dan 20%).

7 - Wat te doen met historische meer- en minderwaarden?

7.1     Historische meerwaarden

De nieuwe meerwaardebelasting zou in werking treden vanaf 1 januari 2026 en daarbij is een vrijstelling voorzien van historische meerwaarden voor de financiële vaste activa verworven vóór 1 januari 2026.

Voor financiële activa die in bezit zijn op 31 december 2025 geldt het FIFO-principe dus niet. In plaats daarvan wordt gewerkt met een gemiddelde waarde, waarbij de aanschaffingswaarde wordt gelijkgesteld aan de waarde van het financiële vaste actief op 31 december 2025.

Ook hier geldt echter een belangrijke uitzondering. Wanneer er op 31 december 2025 sprake is van een meerwaarde, mag je de oorspronkelijke historische aanschaffingswaarde hanteren in plaats van de waarde op die datum. Let wel: deze uitzondering geldt slechts gedurende 5 jaar, met name voor overdrachten tot en met 31 december 2030.

Het is dan ook cruciaal om voor elk afzonderlijk financieel vast actief de waarde op 31 december 2025 correct vast te stellen. Waar er op dat moment meerwaarden zijn, kan je terugvallen op de historische aanschaffingswaarde. Bij een verkoop vóór 31 december 2030 zal je voor die activa weer de FIFO-methode moeten toepassen.

Zorg dus voor een goed gedocumenteerde, bewijskrachtige historiek van je financiële vermogen. Je zorgt er ook best voor dat je die documentatie in bestandsvorm of desnoods geprint op een betrouwbare en bereikbare plaats bewaart. Vertrouw daarbij niet uitsluitend op externe of buitenlandse beleggingsplatformen waar je zelf geen controle hebt over hoe lang en op welke manier de gegevens worden bewaard.

Er zijn specifieke methodes vastgelegd voor de waardebepaling op 31 december 2025:

  • voor beursgenoteerde financiële activa: de laatste slotkoers van 2025;
  • voor levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen: de hoogste waarde van de inventarisreserve op 31/12/2025 of de som van de betaalde premies indien deze hoger is;
  • voor niet-beursgenoteerde aandelen en gelijkgestelde instrumenten zijn 3 waarderingsmethoden toegestaan:
    • waarde gehanteerd bij een overdracht onder bezwarende titel tussen volstrekt onafhankelijke partijen of bij oprichting of bij kapitaalverhoging gedurende 2025;
    • waarde die voortvloeit uit een reeds gebruikte waarderingsformule uit een contract of contractueel aanbod van verkoopoptie (met ingang op 1 januari 2026);
    • specifiek voor aandelen: het eigen vermogen van de vennootschap verhoogd met 4 keer de EBITDA van het laatste boekjaar afgesloten vóór 1 januari 2026. Deze waarde mag ook vastgesteld worden door een onafhankelijke bedrijfsrevisor die niet als commissaris optreedt, of door een gecertificeerd accountant die niet de “gebruikelijke” accountant van de vennootschap is, mits die waardering uiterlijk op 31 december 2026 wordt voltooid. In dit geval mag de administratie wel controleren indien zij aanwijzingen heeft dat de waardering niet marktconform is.

7.2     Historische minderwaarden

Als keerzijde van de medaille is er geen verrekening van historische minderwaarden mogelijk. Voor de berekening van de minderwaarden op financiële activa die in bezit waren vóór 1 januari 2026 kan je geen gebruik maken van de historische aankoopkoers. In plaats daarvan moet je het verschil nemen tussen de realisatiewaarde en de koers op 31 december 2025.

Wie bijvoorbeeld nog Fortis/Ageas-aandelen bezit die vóór de crash van 2008 werden aangekocht, kan die historische minderwaarden dus niet verrekenen. Bij een latere verkoop moet voor de berekening van de minderwaarde worden uitgegaan van de koers op 31 december 2025.

Stijgt de koers van het aandeel vóór 31 december 2030 opnieuw boven de historische aankoopkoers, dan mag voor de berekening van de meerwaarde wél rekening worden gehouden met die historische aankoopkoers. In dat geval hoeft dus niet te worden teruggegrepen naar de koers op 31 december 2025.

Dat leidt tot behoorlijk complexe berekeningen, zeker bij aandelen die sterk schommelen en die over een periode van 30 jaar systematisch zijn bijgekocht.

8 - Hoe gebeurt de inning?

8.1 - Opt-in: bevrijdende roerende voorheffing van 10%

Bij een opt-in geeft de belastingplichtige aan een in België gevestigde tussenpersoon – meestal een bank of verzekeringsinstelling – de toestemming om 10% roerende voorheffing aan de bron in te houden, doorgaans op het moment van de verkoop van een financieel actief.

De opt-inregeling is enkel mogelijk binnen de algemene meerwaardebelasting en dan nog uitsluitend voor de eerste 2 groepen: financiële instrumenten en bepaalde verzekeringsovereenkomsten. Ze kan dus niet worden toegepast op cryptoactiva of valuta, noch op de eerste 2 categorieën, namelijk (1) de interne meerwaarden en (2) de financiële activa met een aanmerkelijk belang.

Ook verrichtingen die worden gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel,  zoals de uitkering bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringen, zijn uitgesloten van de opt-inregeling.

De tussenpersoon mag bij de bepaling van de 10% roerende voorheffing géén rekening houden met:

  • de eerste vrijgestelde schijf van de meerwaarden van 10.000 EUR tot maximaal 15.000 EUR;
  • aftrekbare minderwaarden;
  • hogere historische aanschaffingswaarde van de activa dan de waarde op 31 december 2025.

De belastingplichtige zal zelf via de aangifte personenbelasting toepassing moeten vragen van deze 3 verminderingen en de reeds ingehouden roerende voorheffing verrekenen.

De door de tussenpersoon aangegeven roerende voorheffing werkt bevrijdend en is anoniem. De fiscus heeft via deze weg dus geen inzicht in het totaal van de meerwaarden van de belastingplichtige.

Door verrekening of correctie te vragen in de aangifte personenbelasting van de vrijgestelde schijf van 10.000 EUR tot 15.000 EUR, de aftrekbare minderwaarden of de hogere historische aanschaffingswaarde, treedt de belastingplichtige voor dat gedeelte uit de anonimiteit.

Door het grote tijdsverschil tussen de inhouding van de roerende voorheffing (in principe vanaf 01/01/X1) en de verrekening en terugbetaling ervan (uiterlijk 30/06/X3) kan er een aanzienlijke prefinanciering plaatsvinden, waardoor de gelden al die tijd niet bruikbaar zijn voor herbeleggingen.

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de wetgeving tegen 1 januari 2026 klaar zou zijn, maar dat is niet gelukt. Omdat de financiële tussenpersonen geen wettelijk kader hebben om de roerende voorheffing in te houden, kan deze regeling nog niet toepast worden vanaf 1 januari 2026 en schakelt iedereen voorlopig automatisch over naar de 2e regeling: de opt-out.

Wanneer de wetgeving in voege treedt, keert de logica om: tenzij je kiest voor de opt-out zal de Belgische financiële tussenpersoon de 10% roerende voorheffing inhouden. De kans is klein dat de buitenlandse financiële tussenpersonen dat ook gaan doen.

Mogelijk wordt bij de invoering van de wetgeving door de Belgische financiële tussenpersoon de mogelijkheid geboden om de roerende voorheffing retroactief in te houden als een roerende naheffing.

Voor wie denkt de dans te kunnen ontspringen via een combinatie van de opt-out en acute administratieve vergeetachtigheid bij de aangifte personenbelasting: de Belgische financiële tussenpersonen moeten een opt-out melden aan de fiscus, alsook van alle inkomsten waarop dit betrekking heeft.

8.2 - Opt-out: aangifteplicht in de personenbelasting

De opt-outregeling is automatisch van toepassing op de eerste 2 categorieën: (1) de interne meerwaarden en (2) de financiële activa met een aanmerkelijk belang. Ze is daarnaast ook verplicht van toepassing op cryptoactiva en valuta die onder de 3e categorie van de algemene meerwaardebelasting vallen.

Voor financiële instrumenten en bepaalde verzekeringsovereenkomsten binnen die 3e categorie heeft de belastingplichtige in principe de keuze tussen het opt-in en het opt-outsysteem. Bij gebrek aan een uitgewerkt wettelijk kader zal bij de start van 2026 echter enkel de opt-outkeuze mogelijk zijn.

De belastingplichtige zal zelf in de aangifte personenbelasting de nodige bewijskrachtige berekeningen moeten maken om de meerwaardebelasting te bepalen. Dat gaat de aangifte personenbelasting er zeker niet eenvoudiger op maken.

Het voordeel van dit systeem is dat de vrijstellingen steeds kunnen worden benut, maar dat gaat dan ten koste van de discretie. Indien er verschillende titularissen van dezelfde (effecten)rekening zijn, zullen zij gezamenlijk hetzelfde standpunt moeten innemen, wat in de praktijk niet altijd evident is.

Wanneer je voor de opt-out regeling kiest, zal de financiële tussenpersoon dit moeten melden aan de fiscus. Dat verhoogt de kans op een fiscale controle. Voor wie een zuiver geweten heeft, hoeft dat geen probleem te zijn, maar vaak kruipt er veel tijd (en geld) in zo’n controle. Het is te vergelijken met het bewijzen van je eigen beroepskosten in de aangifte personenbelasting bij een loontrekkende, ambtenaar of bestuurder: een fiscus wordt daardoor aangetrokken als een mot naar een vlam. Na afloop van zo’n controle wordt meermaals de vraag gesteld of het sop de kool wel waard was.

Het verlies van de anonimiteit hoeft op zich ook geen probleem te zijn, maar wanneer een aangifte gepaard gaat met een ellenlange lijst van beursverrichtingen, kan al snel de vraag opduiken of er nog wel sprake is van normaal beheer. In het volgende punt gaan we dieper in op de gevolgen van die kwalificatie.

9 - Het grotere geheel (bis)

We brengen even in herinnering dat meerwaarden uit financiële activa in eerste instantie op 3 verschillende manieren kunnen worden belast: als (1) beroepsinkomen en, wanneer dat niet het geval is, als (2) abnormaal beheer of (3) normaal beheer van het vermogen.

Door de overvloed aan nieuwe microregels rond de belasting op meerwaarden uit het normaal beheer is de aandacht wat afgeleid geraakt van de eerste 2 hoofdcategorieën. Tot nu toe werden financiële meerwaarden in de personenbelasting slechts uitzonderlijk belast als beroepsinkomen of als divers inkomen. Erg actieve cryptobeleggers zijn wel al eens door de fiscus bestempeld als cryptospeculanten en als dusdanig belast.

In de meeste gevallen bleven financiële meerwaarden, bij gebrek aan voldoende gegevens, grotendeels buiten de aandacht. Dat zal naar verwachting veranderen. Door de nieuwe rapporteringsverplichtingen over de financiële meerwaarden, aangevuld met de DAC-8-richtlijn die cryptoplatformen een informatieplicht oplegt, zal er vermoedelijk een gestage informatiestroom richting de fiscus op gang komen.

Dat zal een heel ander licht werpen op de vraag onder welke van de 3 hoofdcategorieën een meerwaarde uiteindelijk valt. Aangezien elk van die hoofdcategorieën zijn eigen regels heeft om tot een belastbaar inkomen te komen, is het op voorhand niet altijd duidelijk wat de fiscale gevolgen zullen zijn.

Zonder te diep in de details te treden, kunnen we al een aantal krijtlijnen tekenen. Beroepsmatig beheer kan plaatsvinden binnen de vennootschapsbelasting of de personenbelasting. Beide systemen hebben gemeen dat kosten aftrekbaar zijn (zoals transactiekosten en beurstaksen) en dat verliezen onbeperkt overdraagbaar zijn in de tijd. Of minderwaarden aftrekbaar en meerwaarden belastbaar zijn, hangt af van het specifieke beleggingsproduct, wat de analyse niet altijd eenvoudig maakt. Zo is er binnen de vennootschapsbelasting bijvoorbeeld een belangrijke fiscale uitzondering voor de zogenaamde DBI-Beveks en kan je de roerende voorheffing (meestal) verrekenen met de vennootschapsbelasting.

Zoals eerder aangegeven is het onderscheid tussen abnormaal en normaal beheer geen evidente oefening. Algemeen wordt aangenomen dat discretionair beheer – waarbij een bankier of vermogensbeheerder volledige volmacht krijgt over het beheer van de beleggingsportefeuille – inhoudt dat men zelf niet actief belegt en dat dit dus onder normaal beheer valt. In de praktijk begint dat onderscheid echter steeds meer te vervagen, onder meer doordat sommige vormen van discretionair beheer sterk aanleunen bij bepaalde beleggingsfondsen.

Uit de rulingpraktijk kan je opmaken dat de fiscus zich voor abnormaal beheer richt op het aantal transacties, de verhouding tussen beleggingen en het totale (roerende) vermogen, de aanwezigheid van cryptobeleggingen, … Dat blijft echter sterk voor discussie vatbaar. Een vergeten harde schijf die 15 jaar stof heeft liggen vergaren onderaan in een lade, met daarop een cryptowallet die intussen miljoenen waard blijkt te zijn, kan je moeilijk speculatief beheer noemen.

Meerwaarden uit abnormaal beheer worden belast aan een hoger tarief van 33%, maar dat regime kan ook opportuniteiten bieden. Kosten zijn aftrekbaar, er is geen sprake van een “snapshot” op 31 december 2025, de waarderingsmethode is vrij te kiezen (dus geen verplichte FIFO) en verliezen zijn tot 5 jaar overdraagbaar in de tijd. Om van die voordelen gebruik te kunnen maken, is het des te belangrijker dat er nog voldoende bewijskrachtige historische gegevens beschikbaar zijn.

10 - Praktische aanbevelingen

Er bestaan nog veel onduidelijkheden over deze nieuwe belasting, niet in het minst omdat er nog geen concrete wetgeving is en de huidige teksten nog kunnen veranderen. Toch is het ondertussen duidelijk dat een goede voorbereiding later haar vruchten zal afwerpen:

  • breng je huidige (vennootschap)structuren en vermogensbestanddelen in kaart;
  • zorg dat je bewijskrachtige gegevens bewaart van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde (zeker van belang bij het aantonen van historische meerwaarden) en de waarde op 31 december 2025;
  • zorg dat je op 31 december 2025 bewijskrachtige gegevens verzamelt (desnoods foto- of videomateriaal) van het bezit van bijvoorbeeld fysiek beleggingsgoud dat in een kluis ligt opgeslagen;
  • bekijk of je voldoet aan het criterium van het aanmerkelijk belang (20%);
  • indien er nog een verkoop of herschikking gepland staat: wacht niet te lang tot na 1 januari 2026 zodat de eventuele meerwaarde beperkt blijft;
  • bij familiale vennootschappen: onderzoek de impact van de nieuwe wetgeving op controle, opvolging, dividenden, de volgorde schenken – verkopen indien er meerdere kinderen zijn, …
  • voorzie een formele waardering van niet-beursgenoteerde activa vóór 31 december 2026;
  • evalueer een dividenduitkering over boekjaar 2025 tegenover een lagere waardering op 31 december 2025;
  • eerder zeldzaam, maar toch: controleer of de vzw in aanmerking komt voor fiscaal aftrekbare giften;
  • voor historische meerwaarden: hou de deadline van 31 december 2030 in het oog;
  • de actieve beleggers kunnen het slim aanpakken en hun meerwaarden compenseren met minderwaarden om onder de grens van 10.000 EUR te blijven. Er zijn naast opportuniteitskosten echter ook andere risico’s verbonden aan deze werkwijze: het spook van de speculatieve meerwaarde (met 33% belastingheffing) kan de nachtrust komen verstoren;
  • hou er rekening mee dat het bewijsmateriaal niet alleen voor jezelf van belang is, maar ook later voor de nabestaanden of begiftigden op het moment dat zij de financiële activa gaan verkopen.

 

Wordt ongetwijfeld vervolgd...

Terug naar Nieuwsoverzicht  

© 2026 Manacc bv · BE 0439.641.315